HOUDINI

Zon & Zeer

 


Doem-me a cabeça e o universo. 
Mijn hoofd en de wereld doen zeer.
                                                                                                                                                         Fernando Pessoa
                                                                                                                                        Um novo sol já vai raiar.
                                                                                                                                        Een nieuwe zon zal stralen.
                                                                                                                                                  Vinicius de Moraes

 

Door Harrie Lemmens

 

Ik was een kaartje aan het kopen in het museum voor moderne kunst ergens in de provincie, toen er een man achter uit een gang kwam. Rijzig, middelbare leeftijd, mechanische tred. Hij stapte rechtstreeks op de vrouw achter de kassa af, neeg zijn grijzende hoofd en zei: ‘Het gaat goed met mij.’ Het klonk niet als antwoord op een vraag die niemand had gesteld, maar alsof het een uiterst belangrijke mededeling was waar veel van afhing. De vrouw knikte glimlachend en de man liep weg. Stijf en ongemakkelijk in het corduroy jasje van zijn leven. Ernstig. Zo iemand. Hij ging op zijn degelijke bruine schoenen af door een zijdeur.

 

Toen ik een halfuur later na een rondgang door de ongeïnteresseerde zalen mijn jas aantrok, zag ik hem weer naderen. Even resoluut, voorbereid op een taak. Hij betrad wederom het toneel en richtte zich opnieuw tot de kaartjesverkoopster: ‘Het gaat goed met mij.’ En zij glimlachte, dat was háár opdracht, háár rol.

 

Soms stappen er mensen uit de boeken die ik vertaal. Vooral die van António Lobo Antunes. In Conhecimento do Inferno (‘Kennis van de hel’), zijn tweede roman, uit 1980, schrijft hij zijn werk als psychiater in Lissabon van zich af. Er trekt een bonte stoet van zielen voorbij die in een Houdiniknoop liggen. De pillen van de psychiaters knippen de touwen die hen binden niet door. Ze zijn niet opgewassen tegen wat hen omringt en wat hen verwart. Maar ondanks

of dankzij de boeien in hun geest blijven ze overeind in de wanen waarin ze rondwaren. Achter de verdoving van de tranquillizers schemeren de werelden waarin ze zich hebben teruggetrokken en waar het goed met ze gaat.

 

‘Het gaat goed met mij,’ herhaalde de man tegen de glimlachende vrouw, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken, en hij draaide zich om en keerde terug naar zijn boek.